Wie weet het beter dan ik?

Over je eigen weten terugvinden tussen wat jij voelt en wat een ander zegt dat waar is

Ken je dat gevoel dat je eigen aanvoelen het aflegt tegen een waarheid van buitenaf? Dat je begint te twijfelen aan wat je voelt, gewoon omdat een ander zo zeker klinkt?

Gisteren waren we met acht mensen bij elkaar tijdens onze CreaVisiedag. Het onderwerp was misbruik. Een groot woord, dat veel verschillende vormen bleek te hebben.

Bij mij ging het niet in de eerste plaats over wat mij lichamelijk was aangedaan. Het ging over iets veel moeilijker grijpbaars: mijn weten.

Ik groeide op binnen een geloof waarin de waarheid al bekend was. Er was een leer, er waren regels en overtuigingen over hoe het leven in elkaar zat, wat goed was en wat niet. Daarbinnen was weinig ruimte voor mijn eigen waarneming. Wat ik zelf voelde, dacht of wist, moest zich voegen naar een waarheid die al bestond.

En als dat lang genoeg gebeurt, raak je niet alleen onzeker over wat je denkt. Je raakt onzeker over degene die waarneemt.

Is wat ik voel wel waar? Mag ik dit denken? Hoe hoort het? Wat moet ik doen? Wie weet het beter dan ik?

Gisteren begreep ik ineens dat daarmee iets heel wezenlijks geraakt wordt. Het vermogen om jezelf te oriënteren.

Waar ben ik?

Oriëntatie is een belangrijk woord geworden in mijn werk. Mijn eerste vraag is steeds: waar ben ik?

Die vraag lijkt eenvoudig. Maar om te kunnen weten waar ik ben, moet ik mezelf kunnen onderscheiden van alles wat er in en om mij heen gebeurt. Ik moet kunnen waarnemen.

Dit voel ik. Dit denk ik. Dit gebeurt er om mij heen. Dit zegt de ander. Dit heb ik geleerd. Dit is wat ik zelf ervaar.

Niet om één daarvan meteen tot de waarheid te verklaren, maar om mijn eigen positie terug te vinden. Want oriëntatie betekent voor mij steeds minder dat ik weet hoe het zit. Oriëntatie betekent dat ik weet waar ik sta in wat er gebeurt.

Het verschil tussen zijn en ervaren

Daarvoor is onderscheid nodig. Als ik bang ben, kan angst mijn hele werkelijkheid overnemen. Als ik mij schaam, ga ik mezelf al snel door de ogen van mijn schaamte bekijken. Als iets niet lukt, kan het verschil verdwijnen tussen iets lukt mij niet en ik deug niet.

Dan val ik samen met wat ik ervaar.

Oriëntatie brengt een kleine ruimte terug.

Ik ben niet mijn angst. Ik ervaar angst. Ik ben niet mijn schaamte. Ik ervaar schaamte. Ik ben niet mijn onvermogen. Er is iets wat ik niet kan. Ik ben niet wat ik draag. Ik draag iets.

Het probleem verdwijnt daardoor niet. Maar er verschijnt weer iemand die zich tot het probleem kan verhouden. Ik ben hier. En dit gebeurt met mij. Dat zijn twee verschillende dingen.

Acht verschillende posities

Juist daarom was het zo bijzonder dat we gisteren met acht waren. Ieder bracht iets anders mee. Een eigen geschiedenis, eigen wonden, eigen talenten, een eigen manier van kijken. Niemand bezat het hele verhaal, en juist daardoor ontstond er iets wat ik alleen nooit had kunnen maken.

De één zag iets wat een ander niet zag. Iemand stelde precies die vraag waardoor er iets openging. Een ander voelde wat nog niet onder woorden gebracht kon worden. Het geheel ontstond tussen ons.

En daarin ontdekte ik iets belangrijks. Een innerlijk kompas betekent niet dat je niemand meer nodig hebt. Het betekent ook niet dat je voortaan alleen je eigen waarheid moet volgen, want dat zou opnieuw een gesloten systeem worden. Een innerlijk kompas helpt je juist om je eigen positie in te nemen, zodat je de ander kunt ontmoeten zonder jezelf kwijt te raken.

Je kunt zeggen: dit zie ik, wat zie jij? Of: dit weet ik, dit weet ik niet, kun jij mij helpen?

Wanneer je je eigen positie niet goed kunt voelen, wordt de ander gemakkelijk je oriëntatiepunt. Vertel jij mij maar wat waar is. Vertel jij mij maar wat ik moet doen. Maar wanneer je wél je eigen positie inneemt, kan de ander werkelijk ander worden. Iemand die iets anders ziet, iemand die je kan tegenspreken, iemand van wie je iets kunt ontvangen, zonder dat je jezelf daarvoor hoeft te verlaten.

Ik ben hier, jij bent daar. Niet als afscheiding, maar als twee plekken waartussen iets kan ontstaan.

Wanneer een probleem je identiteit wordt

Terwijl dit gisteren zo zichtbaar werd, speelt er in mijn leven nog een ander verhaal. Sinds het overlijden van Arno houdt zijn moeite om hulp te vragen mij bezig. Hij raakte financieel steeds verder klem.

Achteraf is het gemakkelijk om te vragen: waarom heb je niets gezegd, waarom heb je geen hulp gevraagd? Maar inmiddels kijk ik anders naar die vraag. Want om hulp te kunnen vragen, moet je eerst kunnen onderscheiden dat wat er met je gebeurt niet hetzelfde is als wie je bent.

Er zit een wereld van verschil tussen ik heb schulden en ik heb gefaald. Tussen ik kan dit niet alleen oplossen en ik schiet tekort. Tussen ik ervaar schaamte en ik bén mijn schaamte.

Wanneer die dingen in elkaar schuiven, wordt een praktisch probleem een identiteitsprobleem. Dan kan vragen ondraaglijk worden, want je laat niet langer alleen je probleem zien. Het voelt alsof je laat zien dat er iets mis is met jou.

Oriëntatie brengt ruimte

En daar komt voor mij opnieuw het innerlijke kompas binnen. Want oriëntatie kan differentiatie brengen.

Ik ben niet mijn schuld. Ik ben niet mijn onvermogen. Ik ben niet mijn schaamte.

Ik heb een financieel probleem. Ik ervaar schaamte. Ik merk dat ik het zelf probeer op te lossen. Ik kom er niet uit. Ik heb iemand nodig.

Voel hoeveel ruimte er ontstaat zodra je die elementen uit elkaar haalt. Er verschijnt weer een positie. Hier ben ik. Daar is het probleem. En vervolgens kun je om je heen kijken. Wie is daar? Wie weet iets wat ik niet weet? Wie kan iets wat ik niet kan? Wie kan ik vragen?

Broederschap

Vannacht droomde ik over broederschap. Na de ervaring van gisteren begrijp ik dat woord anders.

Broederschap betekent niet dat verschillen verdwijnen. Juist niet. Als acht mensen allemaal hetzelfde zouden kunnen, zouden we elkaar veel minder te bieden hebben. We hebben elkaar juist nodig omdat we verschillend zijn.

Werkelijke verbondenheid vraagt niet dat je je eigen positie opgeeft. Ze vraagt dat je haar inneemt. Dit kan ik, dat kun jij. Dit weet ik, dat weet jij. Hier kan ik iets voor jou betekenen, en daar heb ik jou nodig. Niemand draagt het geheel. Misschien is dat geen tekortkoming, maar een voorwaarde voor gemeenschap.

De kunst van het vragen

Daarom krijgt de GoFundMe rond Arno, en het festival Voorstraat Noord waarmee we aandacht aan zijn verhaal willen geven, voor mij een diepere betekenis. Het gaat natuurlijk over geld. Maar daaronder ligt een menselijke vraag die veel groter is.

Wat maakt dat we soms niet meer kunnen vragen?

Een vraag kunnen stellen veronderstelt dat je jezelf kunt oriënteren. Dat je kunt herkennen: waar ben ik, wat gebeurt er, wat voel ik, wat heb ik nodig, wat kan ik zelf, waar houdt mijn vermogen op?

En dan komt er een heel kwetsbare beweging. Van jou naar de ander. Wil je mij helpen?

Misschien is dat niet het moment waarop je zelfstandigheid ophoudt. Misschien is het juist het moment waarop je verantwoordelijkheid neemt voor waar je werkelijk bent.

Daarom wil ik op het festival Voorstraat Noord één vraag meenemen. Wat zou jij vragen, als je wist dat je niemand tot last was?

Ik weet niet welk antwoord daarop komt. Dat hoef ik ook niet te weten. Oriëntatie is niet het hele plaatje kennen. Het is weten waar je nu staat. Ik hoef de totaliteit niet te bevatten, ik hoef niet te weten hoe alles met alles verbonden is, ik hoef zelfs niet onmiddellijk te weten waar de weg eindigt.

 

Wil je meer weten, met me samenwerken, een gratis orientatiegesprek  laat het me weten. Voor het gratis ebook, klik hier.